logo

En toen lachte ik terug

Tekeningen/entoenlachteikterug.png
- We zijn blij dat u er eindelijk bent. Dat heeft lang geduurd hè?
- ……….….. .
- Wat zei u?
- Zal wel.
- Waarom wilde u steeds maar niet komen?
- …………… .
- Sorry, ik versta u weer niet.
- Kweenie.

Mevrouw Heidema is duidelijk niet op haar gemak. Ze kijkt ons niet aan, mompelt achter haar hand en zit voortdurend aan haar nogal gammele bril te frunniken. Na veel trekken en duwen krijgen we de nodige informatie los. Geboren Groningse, begin veertig, gescheiden, drie kinderen. De oudste het huis uit, de jongste door de week in een internaat, de middelste nog thuis. Een wel heel summier arbeidsverleden. Ruim twintig jaar terug verkocht ze worst bij de HEMA. Er was een jongen die er elke dag een kwam kopen. “Ik dacht nog, wie eet er nou elke dag worst?” vertelt ze toen we wat vertrouwder met elkaar werden. Na vijf jaar huwelijk hield de echtgenoot het voor gezien. “Ik heb ’t wel gehad zei ie en toen was ie verdwenen.” Het leek haar niet echt te spijten.
Wil ze aan het werk? Aan de ene kant wel. Geen gedoe meer met de Sociale Dienst, weer onder de mensen, leuke dingen met de kinderen doen. Aan wat voor werk had ze zelf gedacht? “Schoonmaken misschien, m’n zuster werkt bij de Cemsto, vandaar.” Maar, aan de andere kant: “Dat zit er toch niet in, wie zou mij nu willen hebben?”.
Daar denken wij anders over. Objectief gezien zijn er weinig belemmeringen om weer aan het werk te gaan. Een lichte vorm van cara, een dag in de week moeder met het huishouden helpen, één dochter thuis dat moet te doen zijn.
Maar er zijn andere dingen, dingen waar je niet zo makkelijk over praat, zeker niet met vreemden. In volgorde van erg, erger, ergst. Overgewicht (“komt er zomaar aan, ik eet bijna niks”), het gebit (“nou ja, gebit, d’r zit zowat niks meer in die mond van mij”) en tot slot: “gewone mensen hebben haar op hun hoofd en nog ergens, maar bij mij groeit het overal, daar schaam ik me dood voor”).
Mevrouw H. heeft zo weinig zelfvertrouwen dat ze niet eens in de spiegel durft te kijken.
Dan moeten we dáár iets aan doen, zeggen we. “Eerst zien, dan geloven”, denkt mevrouw Heidema

Dat wordt ons gezamenlijke motto voor de volgende fase. Zien en geloven. In jezelf geloven vooral. Het is sneller opgeschreven dan gedaan, maar in volgorde van goed, beter, best: eerst een nieuwe bril, dan worden de stompjes geruild voor een compleet nieuw gebit. Een ontharingskuur volgt. Met wat aandrang van onze kant verdwijnt het verschoten trainingpak wat tot nu toe om haar lijf slobberde in de kledingbak. Uit eigen beweging bezoekt ze de kapper. De metamorfose werkt verbluffend. Bij ieder nieuw bezoek zien we mevrouw Heidema vrolijker, opener, spontaner worden. Ook over werk kunnen we steeds beter praten. De toekomst heeft voor haar meer in petto dan kantoren schoonmaken. Veel meer zelfs.
Met een kleur van opwinding vertelt ze giechelig dat ze een vriend heeft. “Hij lachte naar me, zomaar. En toen lachte ik terug.” Wij weten allebei dat er een hele geschiedenis schuilgaat achter dat ene kleine zinnetje.
Die baan is alleen nog een kwestie van tijd.

11 augustus 1999
Terug naar publicaties
zoek