logo

Nee, daar zie ik helemaal niets in

Tekeningen/needaarzieikhelemaalnietsmee.png
Nou, ’s morgens brengen we onze dochter naar school, dan drinken we koffie en dan doen we boodschappen. Altijd voor één dag, dat vult toch een beetje. De dag komt wel om, voor je ’t weet is het weer avond.

Meneer van Olmen vult zijn dagen met niets doen en daar neemt hij alle tijd voor. Even kort de achtergrond. Veel valt er ook niet over te zeggen. Midden dertig. Nauwelijks opleiding. Nauwelijks werkervaring: twee weken schoonmaken, twee maanden in de riolering, twee jaar bijrijder bij een bedrijf in veevoederproducten. Van zijn vrouw valt op dit punt ook weinig positiefs te vertellen. De kassa van de supermarkt was haar begin - en eindstation. Samen hebben ze een dochtertje van zes.
Hoe staat het met hun sociale contacten? “Ach, met de buren zijn we wel goed. Maar ook weer niet zo dat je bij elkaar over de vloer komt.” En familie? “Tja, je ziet elkaar wel eens op verjaardagen en zo. Is dat jammer? “Nou, als je elkaar weinig ziet, maak je ook weinig ruzie.”
Meneer van Olmen is naar eigen zeggen “best wel tevreden” met zijn bestaan. Een beetje meer geld zou wenselijk zijn, maar “ach, wie wil dat nou niet.”
Meneer van Olmen oogt gezond en sterk en zou bij wijze van spreken morgen aan de slag kunnen. Er is slechts een probleem: een totaal gebrek aan motivatie. “Voor honderd gulden meer, kom ik m’n bed niet uit.” Alles wat we voorstellen stuit af op een muur van onverschilligheid en onwil. Scholing? “Dat is niks voor mij.” Vrijwilligerswerk? “Waar zie je mij voor aan.” Sollicitatietraining? “Daar zie ik het nut niet van in.” Het lukt ons niet hem te overtuigen van het nut van tussenstappen om uit de uitkering te komen. “Een mens verander je niet” luidt zijn credo. Niet “mij” maar “een mens” en dat klinkt als een algemene wetmatigheid waar niemand zich aan kan onttrekken. Zeker meneer van Olmen niet en ook mevrouw van Olmen niet. Als echtgenote komt ze niet als stimulerend uit de verf en ook voor zichzelf ziet ze helemaal niets in werken.
Als het beslist moet, dan wil meneer van Olmen maar één ding: bij de DSW in de buitendienst. Maar daar bespeuren we een addertje onder het gras. Bij de DSW geldt een wachttijd van vijf jaar en we hebben het bange vermoeden dat meneer van Olmen juist daarom zijn zinnen op zo’n betrekking heeft gezet. Alle banen en projecten waar we meneer van Olmen op afsturen, lopen op niets uit. Hulp buurtconciërge, klussenpool, assistent dierverblijf - steeds afgewezen wegens gebrek aan motivatie. Een zojuist opgestart autopoets project lijkt ons geknipt voor iemand als meneer van Olmen. Als hij blijft weigeren, moeten we dit aan de dienst melden en zijn de consequenties voor hem. De tegenzin staat op zijn gezicht te lezen en zijn verweer komt als altijd op hetzelfde neer: “ik kan het niet, ik wil het niet, het heeft toch geen zin.” Maar zin of geen zin, meneer van Olmen ziet nu ook wel in, dat er geen alternatieven meer voor handen zijn.
Twee weken later deelt meneer van Olmen ons mee nu heel anders tegen opleiding en werk aan te kijken. En tot onze grote verbazing wordt hij door de begeleiding zelfs een “topper” genoemd.
Al met al hebben we ruim een jaar tegen meneer van Olmen aan zitten duwen.
Waarom lukte het nu wel hem over het dooie punt heen te helpen?
Wilde hij eindelijk van het gezeur af? Was het zijn eer te na zijn vrouw door ons te laten bemiddelen als het met hem niet lukte? Was het de dreigende korting op zijn uitkering? Of gaf werken toch meer voldoening dan thuis op de bank zitten?
De eerste drie factoren gaven daar maken we ons geen illusies over zeker het beslissende zetje. Maar het blijvende positieve resultaat (Meneer van Olmen heeft inmiddels een jaarcontact met goede vervolgkansen bij een autopoets - bedrijf en mag zich “carrosserie medewerker” noemen) kan alleen maar aan het laatste liggen.

14 oktober 2000
Terug naar publicaties
zoek